print


Uitvoeringsbesluit inkomstenbelasting 2001
Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Op de voordracht van de Staatssecretaris van Financiën van 17 november 2000, nr. WDB2000/872M, Directoraat-Generaal voor Fiscale Zaken, Directie Wetgeving Directe Belastingen;
Gelet op de artikelen 2.5, 2.6, 3.11, 3.83, 3.126, 3.127, 4.25, 5.7, 5.22, 5.23, 6.25, 7.6, 10.8 en 10.9 van de Wet inkomstenbelasting 2001;
De Raad van State gehoord (advies van 13 december 2000, nr. W06.00.0535/IV);
Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Financiën van 18 december 2000, nr. WDB2000/963U, Directoraat-Generaal voor Fiscale Zaken, Directie Wetgeving Directe Belastingen;
Hebben goedgevonden en verstaan:
Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen (Hoofdstuk 1 van de wet)

Artikel 1 Reikwijdte en definitie
1. Dit besluit geeft uitvoering aan de artikelen 2.5, 2.6, 3.11, 3.83, 3.126, 3.127, 4.25, 5.7, 5.22, 5.23, 6.1, 6.16, 6.17, 6.25, 7.6, 9.2, 10.8 en 10.9 van de Wet inkomstenbelasting 2001.
2. Dit besluit verstaat onder wet: de Wet inkomstenbelasting 2001.
Hoofdstuk 2 Raamwerk (Hoofdstuk 2 van de wet)

Artikel 2 Heffingsgrondslagen; keuzerecht voor buitenlandse belastingplichtigen; vermindering verschuldigde inkomstenbelasting bij kiezende belastingplichtige
1. Aan een kiezende belastingplichtige wordt volgens de artikelen 3 tot en met 10 een vermindering op de verschuldigde inkomstenbelasting verleend voor de belasting die betrekking heeft op niet of tegen een beperkt tarief in Nederland te belasten inkomensbestanddelen.
2. Onder een kiezende belastingplichtige wordt verstaan:
a.een niet gedurende het gehele kalenderjaar in Nederland wonende binnenlandse belastingplichtige, of
b.een buitenlandse belastingplichtige, die volgens artikel 2.5 van de wet kiest voor toepassing van de regels van de wet voor binnenlandse belastingplichtigen.
3. Voor de toepassing van dit artikel en de artikelen 3 tot en met 10 blijft te conserveren inkomen en de daarover verschuldigde belasting buiten beschouwing.

Artikel 3 Heffingsgrondslagen; keuzerecht voor buitenlandse belastingplichtigen; vermindering bij inkomen uit werk en woning
1. De vermindering vanwege in het inkomen uit werk en woning begrepen niet of tegen een beperkt tarief in Nederland te belasten inkomensbestanddelen is gelijk aan het bedrag dat tot de belasting die zonder de toepassing van de artikelen 2 tot en met 10 volgens de wet over het belastbare inkomen uit werk en woning verschuldigd zou zijn, in dezelfde verhouding staat als het gezamenlijke bedrag van de niet of tegen een beperkt tarief in Nederland te belasten bestanddelen van het noemerinkomen staat tot het noemerinkomen.
2. Onder het gezamenlijke bedrag van de niet of tegen een beperkt tarief in Nederland te belasten bestanddelen van het noemerinkomen wordt verstaan: de som van:
a.de bestanddelen van het noemerinkomen die niet behoren tot het inkomen uit werk en woning in Nederland volgens afdeling 7.2 van de wet, en
b.de inkomensbestanddelen die daartoe wel behoren maar waarvoor het heffingsrecht op grond van een regeling ter voorkoming van dubbele belasting niet of tot een beperkt tarief aan Nederland is toegewezen.
Bij een binnenlandse belastingplichtige die niet gedurende het gehele kalenderjaar in Nederland woont, worden alleen de inkomensbestanddelen in aanmerking genomen die zijn genoten in de periode dat hij niet in Nederland woonde.
3. De in het eerste lid bedoelde vermindering wordt bij de aanwezigheid van in het tweede lid, onderdeel b, bedoelde inkomensbestanddelen die Nederland volgens regelingen ter voorkoming van dubbele belasting slechts tegen een beperkt tarief mag belasten, verlaagd met de belasting die Nederland volgens die regelingen over de inkomensbestanddelen mag heffen. De verlaging is evenwel niet hoger dan het bedrag aan belasting dat in Nederland daadwerkelijk over die inkomensbestanddelen wordt geheven.
4. De in het eerste lid bedoelde vermindering kan, na de verlaging, bedoeld in het derde lid, niet meer bedragen dan de belasting die zonder de toepassing van dit hoofdstuk volgens de wet over het belastbare inkomen uit werk en woning verschuldigd zou zijn.
5. Onder noemerinkomen wordt verstaan: het inkomen uit werk en woning
a.vermeerderd met de hierop in het jaar in mindering gebrachte uitgaven voor inkomensvoorzieningen en persoonsgebonden aftrek, en
b.verminderd met de – met overeenkomstige toepassing van artikel 3.13 van de wet – te verrekenen negatieve bedragen aan noemerinkomen uit andere jaren.
6. Onder de belasting die zonder de toepassing van deze afdeling volgens de wet over het belastbare inkomen uit werk en woning verschuldigd zou zijn, wordt verstaan: de over het kalenderjaar berekende belasting op het belastbare inkomen uit werk en woning, bedoeld in artikel 2.7, eerste lid, aanhef en onderdeel a, van de wet, verminderd met een evenredig deel van het belastingdeel van de heffingskorting. Het belastingdeel van de heffingskorting wordt hierbij naar evenredigheid verdeeld over de, zonder heffingskorting, berekende belasting op het belastbare inkomen uit werk en woning, het belastbare inkomen uit aanmerkelijk belang en het belastbare inkomen uit sparen en beleggen.

Artikel 4 Heffingsgrondslagen; keuzerecht voor buitenlandse belastingplichtigen; verrekening dividendbelasting alsmede bronbelasting op inkomsten uit spaargelden bij inkomen uit werk en woning
De dividendbelasting geheven over tot het inkomen uit werk en woning behorende dividenden die niet tot het in afdeling 7.2 van de wet omschreven inkomen uit werk en woning in Nederland behoren, wordt niet verrekend met de door de kiezende belastingplichtige verschuldigde inkomstenbelasting. De eerste volzin is van overeenkomstige toepassing met betrekking tot bronbelasting, bedoeld in artikel 9.2, eerste lid, onderdeel d, van de wet en bronbelasting, bedoeld in het tiende lid van dat artikel.

Artikel 5 Heffingsgrondslagen; keuzerecht voor buitenlandse belastingplichtigen; doorschuifregeling
1. Voorzover het gezamenlijke bedrag van de niet of tegen een beperkt tarief in Nederland te belasten bestanddelen van het noemerinkomen – berekend met inachtneming van de verrekening volgens artikel 6 – groter is dan het noemerinkomen, wordt het overgebracht naar het volgend jaar. Deze overbrenging vindt alleen plaats indien het naar het volgend jaar over te brengen bedrag door de inspecteur is vastgesteld bij voor bezwaar vatbare beschikking.
2. In het jaar waarnaar de overbrenging plaatsvindt, wordt voor de berekening van de vermindering volgens artikel 3 het gezamenlijke bedrag van de niet of tegen een beperkt tarief in Nederland te belasten bestanddelen van het noemerinkomen verhoogd met het over te brengen bedrag aan niet of tegen een beperkt tarief in Nederland te belasten bestanddelen van het noemerinkomen. Het noemerinkomen wordt niet verhoogd.
3. Artikel 26 van het Besluit voorkoming dubbele belasting 2001 is van overeenkomstige toepassing.

Artikel 6 Heffingsgrondslagen; keuzerecht voor buitenlandse belastingplichtigen; inhaalregeling
1. Indien het gezamenlijke bedrag van de niet of tegen een beperkt tarief in Nederland te belasten bestanddelen van het noemerinkomen – berekend met inachtneming van de overbrenging volgens artikel 5 – negatief is, wordt het voor de toepassing van de vermindering volgens artikel 3 aangemerkt als een negatief niet of tegen een beperkt tarief in Nederland te belasten bestanddeel van het noemerinkomen van het volgend jaar. De inspecteur stelt het naar het volgend jaar over te brengen bedrag vast bij voor bezwaar vatbare beschikking.
2. De artikelen 26 en 27 van het Besluit voorkoming dubbele belasting 2001 zijn van overeenkomstige toepassing.

Artikel 7 Heffingsgrondslagen; keuzerecht voor buitenlandse belastingplichtigen; vermindering bij inkomen uit aanmerkelijk belang
1. De vermindering vanwege in het inkomen uit aanmerkelijk belang begrepen niet of tegen een beperkt tarief in Nederland te belasten inkomensbestanddelen is gelijk aan het bedrag dat tot de belasting die zonder de toepassing van deze afdeling volgens de wet over het belastbare inkomen uit aanmerkelijk belang verschuldigd zou zijn, in dezelfde verhouding staat als het gezamenlijke bedrag van de niet of tegen een beperkt tarief in Nederland te belasten bestanddelen van het noemerinkomen staat tot het noemerinkomen.
2. Onder het gezamenlijke bedrag van de niet of tegen een beperkt tarief in Nederland te belasten bestanddelen van het noemerinkomen wordt verstaan: de som van:
a.de bestanddelen van het noemerinkomen die niet behoren tot het inkomen uit aanmerkelijk belang in een in Nederland gevestigde vennootschap volgens afdeling 7.3 van de wet, en
b.de inkomensbestanddelen die daartoe wel behoren maar waarover het heffingsrecht op grond van een regeling ter voorkoming van dubbele belasting niet of tot een beperkt tarief aan Nederland is toegewezen.
Artikel 3, tweede lid, tweede volzin, is van overeenkomstige toepassing.
3. De vermindering van het eerste lid wordt bij de aanwezigheid van in het tweede lid, onderdeel b, bedoelde inkomensbestanddelen die Nederland volgens regelingen ter voorkoming van dubbele belasting slechts tegen een beperkt tarief mag belasten, verlaagd met de belasting die Nederland volgens die regelingen over de inkomensbestanddelen mag heffen.
4. De vermindering van het eerste lid kan, na de verlaging van het derde lid, niet meer bedragen dan de belasting die zonder de toepassing van deze afdeling volgens de wet over het belastbare inkomen uit aanmerkelijk belang verschuldigd zou zijn.
5. Onder noemerinkomen wordt verstaan: het inkomen uit aanmerkelijk belang
a.vermeerderd met de hierop in het jaar in mindering gebrachte persoonsgebonden aftrek, en
b.verminderd met de – met overeenkomstige toepassing van afdeling 4.10 van de wet – te verrekenen negatieve bedragen aan noemerinkomen uit andere jaren.
6. Onder de belasting die zonder de toepassing van deze afdeling volgens de wet over het belastbare inkomen uit aanmerkelijk belang verschuldigd zou zijn, wordt verstaan: de over het kalenderjaar berekende belasting op het belastbare inkomen uit aanmerkelijk belang als bedoeld in artikel 2.7, eerste lid, aanhef en onderdeel b, van de wet verminderd met een evenredig deel van het belastingdeel van de heffingskorting. Artikel 3, zesde lid, tweede en derde volzin, is van overeenkomstige toepassing.

Artikel 8 Heffingsgrondslagen; keuzerecht voor buitenlandse belastingplichtigen; verrekening dividendbelasting alsmede bronbelasting op inkomsten uit spaargelden bij inkomen uit aanmerkelijk belang
De dividendbelasting geheven over tot het inkomen uit aanmerkelijk belang behorende dividenden die niet tot het in afdeling 7.3 van de wet omschreven inkomen uit aanmerkelijk belang in een in Nederland gevestigde vennootschap behoren, wordt niet verrekend met de door de kiezende belastingplichtige verschuldigde inkomstenbelasting. De eerste volzin is van overeenkomstige toepassing met betrekking tot bronbelasting, bedoeld in artikel 9.2, eerste lid, onderdeel d, van de wet en bronbelasting, bedoeld in het tiende lid van dat artikel.

Artikel 9 Heffingsgrondslagen; keuzerecht voor buitenlandse belastingplichtigen; vermindering bij voordeel uit sparen en beleggen
1. De vermindering vanwege in het voordeel uit sparen en beleggen begrepen niet in Nederland te belasten inkomensbestanddelen is gelijk aan het bedrag dat tot de belasting die zonder de toepassing van deze afdeling volgens de wet over het belastbare inkomen uit sparen en beleggen verschuldigd zou zijn, in dezelfde verhouding staat als het gemiddelde van de rendementsgrondslag buiten Nederland aan het begin van het jaar (begindatum) en aan het einde van het jaar (einddatum) staat tot het gemiddelde van de rendementsgrondslag aan het begin en aan het einde van het jaar.
2. De vermindering van het eerste lid kan niet meer bedragen dan de belasting die zonder de toepassing van de afdeling volgens de wet over het belastbare inkomen uit sparen en beleggen verschuldigd zou zijn.
3. Onder de rendementsgrondslag buiten Nederland wordt verstaan: het saldo van de in de rendementsgrondslag begrepen
a.bezittingen en schulden die niet behoren tot de rendementsgrondslag in Nederland volgens artikel 7.7 van de wet, en
b.bezittingen en de daarmee verband houdende schulden die daartoe wel behoren, maar waarbij het heffingsrecht over de daaruit genoten inkomsten op grond van een regeling ter voorkoming van dubbele belasting niet aan Nederland is toegewezen.
Bij een belastingplichtige die niet het gehele jaar in Nederland woont, wordt de naar tijdsgelang herleide gemiddelde waarde van de rendementsgrondslag buiten Nederland over de periode dat hij niet in Nederland woonde, in aanmerking genomen. Gedeelten van kalendermaanden worden hierbij als volle maand beschouwd.
4. Onder de belasting die zonder de toepassing van deze afdeling volgens de wet over het belastbare inkomen uit sparen en beleggen verschuldigd zou zijn, wordt verstaan: de over het kalenderjaar berekende belasting op het belastbare inkomen uit sparen en beleggen als bedoeld in artikel 2.7, eerste lid, aanhef en onderdeel c, van de wet verminderd met een evenredig deel van het belastingdeel van de heffingskorting. Artikel 3, zesde lid, tweede en derde volzin, is van overeenkomstige toepassing.
5. Artikel 5.3 van de wet is bij het overlijden van de belastingplichtige van overeenkomstige toepassing.

Artikel 10 Heffingsgrondslagen; keuzerecht voor buitenlandse belastingplichtigen; verrekening dividendbelasting alsmede bronbelasting op inkomsten uit spaargelden bij voordeel uit sparen en beleggen
De dividendbelasting geheven over dividenden uit rechten die tot de bezittingen, bedoeld in artikel 5.3 van de wet, behoren, wordt niet verrekend met de door de kiezende belastingplichtige verschuldigde inkomstenbelasting. De eerste volzin is van overeenkomstige toepassing met betrekking tot bronbelasting, bedoeld in artikel 9.2, eerste lid, onderdeel d, van de wet en bronbelasting, bedoeld in het tiende lid van dat artikel.

Artikel 11 Heffingsgrondslagen; keuzerecht voor in het buitenland geworven deskundigen
1. Partieel buitenlandse belastingplichtigen die van buiten Nederland in dienstbetrekking worden genomen als bedoeld in hoofdstuk 3 van het Uitvoeringsbesluit loonbelasting 1965 kunnen kiezen voor toepassing van de regels van de hoofdstukken 4 en 5 van de Wet inkomstenbelasting 2001 zoals die volgens hoofdstuk 7 van die wet gelden voor buitenlandse belastingplichtigen (partieel buitenlandse belastingplicht). Een keuze voor partieel buitenlandse belastingplicht geldt voor het gehele kalenderjaar, maar ten hoogste voor de periode waarin de werknemer in dat kalenderjaar voor hoofdstuk 3 van het Uitvoeringsbesluit loonbelasting 2001 wordt beschouwd als ingekomen werknemer.
2. De in het eerste lid genoemde keuze kan worden gemaakt en herzien zolang de aanslag niet onherroepelijk vaststaat.
Hoofdstuk 3 Heffingsgrondslag bij werk en woning (Hoofdstuk 3 van de wet)

Artikel 12 Belastbare winst uit onderneming; vrijstelling voor bosbedrijf
1. Op verzoek van de belastingplichtige blijven buiten aanmerking de voordelen uit bosbedrijf welke worden behaald door onmiddellijk voorafgaande aan het tijdstip met ingang waarvan op hem de vrijstelling van artikel 3.11, eerste lid, van de wet van toepassing wordt de tot het bosbedrijf behorende bezittingen te stellen op de waarde in het economische verkeer. De vorige volzin is slechts van toepassing indien artikel 3.11, eerste lid, van de wet met ingang van een jaar van toepassing wordt.
2. De inspecteur stelt het bedrag dat ingevolge het eerste lid buiten aanmerking blijft bij voor bezwaar vatbare beschikking vast.
3. De voordelen die ingevolge het eerste lid buiten aanmerking blijven, worden alsnog als winst uit onderneming in aanmerking genomen – met dien verstande dat artikel 3.11, eerste lid, van de wet op die voordelen niet van toepassing is – indien de belastingplichtige binnen vijf jaren na het tijdstip waarop de in het eerste lid bedoelde vrijstelling op hem van toepassing is geworden, het bosbedrijf of een gedeelte van het bosbedrijf – anders dan ten gevolge van overlijden of onteigening, daaronder begrepen minnelijke onteigening en verkoop ter voorkoming van onteigening – staakt. In geval van staking van een gedeelte van het bosbedrijf worden de in de vorige volzin bedoelde voordelen slechts in aanmerking genomen voorzover deze betrekking hebben op dit gedeelte. De voordelen worden geacht te zijn genoten ten tijde van de staking.
4. Voor de toepassing van het derde lid wordt niet als een staking aangemerkt een overdracht aan een persoon als bedoeld in artikel 3.63, vierde lid, van de wet mits zowel de belastingplichtige als degene aan wie is overgedragen dit schriftelijk verzoekt. Alsdan wordt degene aan wie is overgedragen voor de toepassing van het derde lid geacht in de plaats te zijn getreden van de belastingplichtige.

Artikel 13 Belastbaar loon; pensioen in grensoverschrijdende situaties
De waarde in het economische verkeer van opgebouwde aanspraken uit een pensioenregeling als bedoeld in artikel 3.83 van de wet wordt gesteld op de bedragen die bij een derde zouden moeten worden gestort ten einde de aanspraken te dekken.

Artikel 14 Uitgaven voor inkomensvoorzieningen; toegelaten aanbieders
1. Als een lichaam dat bevoegd het verzekeringsbedrijf uitoefent als bedoeld in artikel 3.126, eerste lid, onderdeel d, van de wet kan door Onze Minister worden aangewezen een verzekeraar die op grond van de artikelen 111, eerste lid, onderdelen a tot en met c, of tweede lid, 113, eerste of vierde lid, 116, eerste lid, onderdelen a tot en met c, of derde lid, of 118, tweede of vijfde lid, van de Wet toezicht verzekeringsbedrijf 1993 bevoegd is diensten naar Nederland te verrichten.
2. Als een pensioenfonds als bedoeld in artikel 3.126, eerste lid, onderdeel d, van de wet kan door Onze Minister worden aangewezen een lichaam dat naar het recht van de staat van diens zetel bevoegd gelden beheert strekkende tot verzekering van pensioenaanspraken van tenminste 100 deelnemers of gewezen deelnemers en dat in aanvulling op of ter voortzetting van die pensioenaanspraken vanuit een vestiging buiten Nederland lijfrenteovereenkomsten sluit.
3. Alvorens tot een aanwijzing wordt overgegaan, dient de verzekeraar, onderscheidenlijk het pensioenfonds zich tegenover Onze Minister, onder door hem te stellen voorwaarden, te verplichten om met betrekking tot de bij deze verzekeraar of dit fonds verzekerde en nog te verzekeren lijfrenten, bedoeld in artikel 3.124 van de wet, inlichtingen te verstrekken over de uitvoering van de lijfrenteovereenkomsten en een in Nederland uitwinbare zekerheid jegens de ontvanger te stellen voor de invordering van de belasting die mocht worden verschuldigd door toepassing van de artikelen 3.133, 3.135 of 3.136 van de wet. In afwijking van de eerste volzin behoeft een in een van de lidstaten van de Europese Unie gevestigde verzekeraar of gevestigd pensioenfonds jegens de ontvanger geen in Nederland uitwinbare zekerheid te stellen indien deze verzekeraar of dit pensioenfonds, onder door Onze Minister te stellen voorwaarden, ingevolge een overeenkomst met de ontvanger aansprakelijkheid aanvaardt voor de in die volzin bedoelde belasting.
4. De aanwijzing kan eveneens plaatsvinden indien de in het derde lid bedoelde zekerheid niet door de verzekeraar of het pensioenfonds maar door de belastingplichtige wordt gesteld, waarbij de belastingplichtige tevens de mogelijkheid heeft zekerheid te stellen door middel van verpanding van de aanspraken uit de lijfrenteovereenkomst aan de ontvanger, mits de verzekeraar of het pensioenfonds instemt met deze verpanding.
5. De aanwijzing kan door Onze Minister worden ingetrokken wanneer de verzekeraar of het pensioenfonds niet meer aan de verplichtingen met betrekking tot het verschaffen van inlichtingen of het stellen van zekerheid voldoet of niet aan een juiste wijze van uitvoering van een verpanding of van de in het derde lid bedoelde overeenkomst inzake aansprakelijkheid meewerkt.
6. Indien de aanwijzing wordt ingetrokken, worden bij de verzekeringnemers van de bij deze verzekeraar of dit pensioenfonds gesloten lijfrenteovereenkomsten, dan wel indien een verzekeringnemer is overleden, bij de gerechtigden tot de lijfrenten, geen negatieve uitgaven voor inkomensvoorzieningen in aanmerking genomen indien de lijfrenten onder door Onze Minister te stellen voorwaarden alsnog overgaan op een toegelaten aanbieder als bedoeld in artikel 3.126, eerste lid, van de wet.

Artikel 15 Uitgaven voor inkomensvoorzieningen; in aanmerking te nemen premies voor lijfrenten; waardeaangroei
1. Voor de toepassing van artikel 3.127, eerste en vierde lid, van de wet, verstrekt de verzekeraar van een pensioen als bedoeld in artikel 1.7, tweede lid, onderdelen a en b, van de wet aan de belastingplichtige een opgave van de aan een kalenderjaar toe te rekenen aangroei van het bedrag van de jaarlijkse uitkeringen van de aan hem toekomende aanspraken die recht geven op een levenslange inkomensvoorziening bij ouderdom, voor zover deze aangroei het gevolg is van de toeneming van de diensttijd in het kalenderjaar.
2. De aan een kalenderjaar toe te rekenen pensioenaangroei, bedoeld in het eerste lid, wordt bepaald als volgt:
a.bij een aan een beschikbare premie gerelateerde levenslange inkomensvoorziening bij ouderdom: door de op het kalenderjaar betrekking hebbende premies te vermenigvuldigen met de volgende factor:
b.bij overige aan het inkomen gerelateerde levenslange inkomensvoorzieningen bij ouderdom: door het opbouwpercentage van het kalenderjaar van de aan de belastingplichtige toekomende pensioenaanspraken te vermenigvuldigen met de pensioengrondslag van het kalenderjaar.
3. De opgave van de pensioenaangroei wordt door de verzekeraar binnen tien maanden na afloop van het kalenderjaar waarop de pensioenaangroei betrekking heeft, aan de belastingplichtige verstrekt.
4. De pensioengrondslag, bedoeld in het tweede lid, onderdeel b, wordt bepaald door het pensioengevend inkomen van het kalenderjaar te verminderen met het in het kalenderjaar ingevolge de pensioenregeling in aanmerking genomen bedrag ter zake van uitkeringen als bedoeld in artikel 9 van de Algemene Ouderdomswet.
5. Ingeval het pensioen op grond van de in de pensioenregeling vastgestelde ingangsdatum eerder ingaat dan bij het bereiken van de 65-jarige leeftijd en er geen sprake is van een aan een beschikbare premie gerelateerde levenslange inkomensvoorziening bij ouderdom, wordt de in het eerste lid bedoelde aangroei gesteld op de met toepassing van het tweede lid, onderdeel b, bepaalde aangroei, vermenigvuldigd met de volgende factor:
In de pensioenregeling vastgestelde ingangsdatumfactor
64 jaar of ouder, doch jonger dan 65 jaar2/1,85
63 jaar of ouder, doch jonger dan 64 jaar2/1,71
62 jaar of ouder, doch jonger dan 63 jaar2/1,59
61 jaar of ouder, doch jonger dan 62 jaar2/1,48
jonger dan 61 jaar2/1,38.
Hoofdstuk 4 Heffingsgrondslag bij aanmerkelijk belang (Hoofdstuk 4 van de wet)

Artikel 16 Vervreemdingsvoordelen; verkrijgingsprijs bij het ontstaan van binnenlandse belastingplicht; vaststelling verkrijgingsprijs en verminderen van de aanslag
1. Indien een belastingplichtige met een aanmerkelijk belang in Nederland gaat wonen en de vennootschap waarop het belang betrekking heeft in Nederland is gevestigd, de belastingplichtige eerder in Nederland heeft gewoond of artikel 7.5, zevende lid, van de wet met betrekking tot dat belang is toegepast, wordt de verkrijgingsprijs van de tot dat belang behorende aandelen of winstbewijzen gesteld op de verkrijgingsprijs, bedoeld in artikel 4.21 van de wet, en vervolgens vermeerderd of verminderd zoals in de volgende leden is aangegeven.
2. De verkrijgingsprijs volgens artikel 4.21 van de wet wordt vermeerderd met de waardeaangroei van de aandelen of winstbewijzen boven die verkrijgingsprijs voorzover blijkt dat de belastingplichtige in verband met het gaan wonen in Nederland in het buitenland hierover een naar het inkomen geheven belasting heeft betaald die naar Nederlandse maatstaven redelijk is.
3. De verkrijgingsprijs volgens artikel 4.21 van de wet wordt vermeerderd met de waardeaangroei van de aandelen of winstbewijzen boven die verkrijgingsprijs voorzover deze aangroei blijkt te zijn ontstaan in een periode dat de belastingplichtige ter zake van die aandelen of winstbewijzen in Nederland niet belastingplichtig was en deze waardeaangroei nog niet is begrepen in de vermeerdering van de verkrijgingsprijs ingevolge het tweede lid.
4. De verkrijgingsprijs volgens artikel 4.21 van de wet wordt verminderd met de waardedaling van de aandelen of winstbewijzen beneden die verkrijgingsprijs voorzover deze waardedaling is ontstaan in een periode waarin de belastingplichtige ter zake van die aandelen of winstbewijzen niet in Nederland belastingplichtig was.
5. Indien artikel 4.16, eerste lid, onderdeel h, onderscheidenlijk artikel 7.5, zevende lid, van de wet eerder met betrekking tot het aanmerkelijk belang van toepassing is geweest, wordt de aanslag over het jaar bij de vaststelling waarvan een van de genoemde artikelonderdelen van toepassing is geweest, verminderd met een bedrag dat overeenkomt met dat gedeelte van de belasting waarvoor krachtens artikel 25, achtste lid, van de Invorderingswet 1990 nog uitstel van betaling loopt. Met betrekking tot deze vermindering is artikel 30g, tweede lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen niet van toepassing.
6. De verkrijgingsprijs volgens artikel 4.21 van de wet van de nog tot het aanmerkelijk belang behorende aandelen of winstbewijzen wordt vermeerderd met de aan die aandelen of winstbewijzen toe te rekenen kosten welke zijn gemaakt voor het stellen van zekerheid als bedoeld in artikel 25, achtste lid, van de Invorderingswet 1990, tenzij de verkrijgingsprijs op grond van het tweede lid reeds is vermeerderd met de waardeaangroei van de aandelen of winstbewijzen die eerder krachtens artikel 4.16, eerste lid, onderdeel h, onderscheidenlijk artikel 7.5, zevende lid, van de wet tot het belastbare inkomen uit aanmerkelijk belang is gerekend.
7. Indien artikel 4.16, eerste lid, onderdeel h, onderscheidenlijk artikel 7.5, zevende lid, van de wet eerder met betrekking tot het aanmerkelijk belang van toepassing is geweest en de belastingplichtige op de aanslag bij de vaststelling waarvan een van de genoemde artikelonderdelen van toepassing is geweest betalingen heeft gedaan ter voldoening van de ingevolge een van die artikelonderdelen verschuldigde belasting, wordt de verkrijgingsprijs volgens artikel 4.21 van de wet van de nog tot het aanmerkelijk belang behorende aandelen of winstbewijzen vermeerderd met een bedrag ter grootte van vier maal het bedrag van de op die aandelen of winstbewijzen betrekking hebbende betalingen. De eerste volzin is niet van toepassing voorzover de verkrijgingsprijs op grond van het tweede lid reeds is vermeerderd met de waardeaangroei van de aandelen of winstbewijzen die eerder krachtens artikel 4.16, eerste lid, onderdeel h, onderscheidenlijk artikel 7.5, zevende lid, van de wet tot het belastbare inkomen uit aanmerkelijk belang is gerekend.
8. Indien artikel 4.16, eerste lid, onderdeel h, onderscheidenlijk artikel 7.5, zevende lid, van de wet eerder met betrekking tot het aanmerkelijk belang van toepassing is geweest en daarbij sprake was van een negatief vervreemdingsvoordeel, wordt de verkrijgingsprijs volgens artikel 4.21 van de wet van de nog tot het aanmerkelijk belang behorende aandelen of winstbewijzen verminderd met het aan die aandelen of winstbewijzen toe te rekenen negatieve vervreemdingsvoordeel.
9. Indien de belastingplichtige een aanmerkelijk belang in een niet in Nederland gevestigde vennootschap heeft en artikel 4.16, eerste lid, onderdeel h, van de wet ten aanzien van dat belang krachtens artikel 4.18 van de wet niet is toegepast toen hij Nederland verliet, wordt de verkrijgingsprijs van die aandelen of winstbewijzen in afwijking van de voorgaande leden gesteld op de waarde in het economische verkeer op het tijdstip waarop de belastingplichtige weer in Nederland is gaan wonen.
10. Indien de belastingplichtige een aanmerkelijk belang in een in Nederland gevestigde vennootschap heeft dat hij onder algemene titel of krachtens erfrecht onder bijzondere titel heeft verkregen in een periode dat hij niet in Nederland woonachtig was en ten aanzien van degene van wie het aanmerkelijk belang is verkregen ter zake van de vervreemding daarvan krachtens artikel 25, achtste lid, van de Invorderingswet 1990 nog uitstel van betaling loopt, wordt de verkrijgingsprijs volgens artikel 4.21 van de wet verminderd met vier maal het bedrag waarvoor nog uitstel van betaling loopt en vier maal het bedrag waarvoor krachtens artikel 26, derde lid, van de Invorderingswet 1990 kwijtschelding van belasting is verleend. Ten aanzien van degene van wie het aanmerkelijk belang is verkregen, wordt de aanslag over het jaar waarvoor krachtens artikel 25, achtste lid, van de Invorderingswet 1990 nog uitstel van betaling loopt, verminderd met het bedrag van de belasting waarvoor met betrekking tot dat belang nog uitstel van betaling loopt.
11. Indien de belastingplichtige een aanmerkelijk belang in een vennootschap heeft die middellijk of onmiddellijk aandelen in of winstbewijzen van een in Nederland gevestigde vennootschap heeft en deze aandelen of winstbewijzen, al dan niet rechtstreeks, zijn verkregen van de belastingplichtige bij wie die aandelen of winstbewijzen tot een aanmerkelijk belang behoorden, wordt de verkrijgingsprijs volgens artikel 4.21 van de wet van het eerstbedoelde aanmerkelijk belang verminderd met een bedrag, waarbij deze vermindering kan leiden tot een negatieve verkrijgingsprijs; de vermindering is gelijk aan het bedrag waarmee op het tijdstip van bedoelde verkrijging door de vennootschap de waarde in het economische verkeer van de door de vennootschap van de belastingplichtige verkregen aandelen of winstbewijzen de verkrijgingsprijs van de belastingplichtige van die aandelen of winstbewijzen overtreft. De eerste volzin is niet van toepassing voorzover in Nederland inkomstenbelasting of in een ander land naar het inkomen geheven belasting is betaald over de waardeaangroei van laatstgenoemde aandelen of winstbewijzen die naar Nederlandse maatstaven redelijk is. Voor de berekening van de in het slot van de eerste volzin bedoelde vermindering, wordt de verkrijgingsprijs van de door de belastingplichtige aan de vennootschap vervreemde aandelen of winstbewijzen vermeerderd met de waardeaangroei, bedoeld in het derde lid, tot op het tijdstip van de in het slot van de in de eerste volzin bedoelde verkrijging door die vennootschap onderscheidenlijk verminderd met de waardedaling als bedoeld in het vierde lid tot op het tijdstip van die verkrijging.
12. Voor de toepassing van het eerste tot en met het elfde lid worden met de artikelen 4.16, eerste lid, onderdeel h, 7.5, zevende lid, en 4.18 van de wet achtereenvolgens gelijkgesteld de artikelen 20a, zesde lid, onderdeel i, 49, vijfde lid, en 20a, achtste lid, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 zoals deze artikelonderdelen luidden op 31 december 2000. Met de artikelen 25, achtste lid, en 26, derde lid, van de Invorderingswet 1990 worden achtereenvolgens gelijkgesteld de artikelen 25, zesde lid, en 26, tweede lid, van de Invorderingswet 1990 zoals deze artikelonderdelen luidden op 31 december 2000.
Hoofdstuk 5 Heffingsgrondslag bij sparen en beleggen (Hoofdstuk 5 van de wet)

Artikel 17 Vrijstellingen; vrijstelling bos- en natuurterreinen en landgoederen
Onder natuurterreinen als bedoeld in artikel 5.7 van de wet worden verstaan heidevelden, hoogveenterreinen, zandverstuivingen, duinterreinen, kwelders, schorren, gorzen, slikken, riet- en ruigtlanden, laagveenmoerassen, voorzover deze terreinen geen landbouwgronden zijn.

Artikel 18 Waardering; waardering genotsrechten
1. De waarde van een genotsrecht als bedoeld in artikel 5.22, derde lid, van de wet wordt gesteld op het overeenkomstig artikel 19 tot kapitaal gebrachte bedrag van de jaarlijkse voordelen uit de gerechtigdheid.
2. Voor de toepassing van het eerste lid worden de jaarlijkse voordelen gesteld op 4% van de waarde van hetgeen aan het genotsrecht is onderworpen, naar het tijdstip waarop de waardering van het genotsrecht plaatsvindt.

Artikel 19 Waardering; aanvullende regels; waardering periodieke uitkeringen
1. De waarde van een levenslange, ingegane periodieke uitkering in geld afhankelijk van het leven van één mannelijke persoon, wordt gesteld op het jaarlijkse bedrag vermenigvuldigd met:
22, wanneer degene jonger dan 20 jaar is,
22, gedurende wiens 20 jaar of ouder, doch jonger dan 25 jaar is,
21, leven de uitkering 25 jaar of ouder, doch jonger dan 30 jaar is,
20, moet plaatshebben: 30 jaar of ouder, doch jonger dan 35 jaar is,
19, 35 jaar of ouder, doch jonger dan 40 jaar is,
18, 40 jaar of ouder, doch jonger dan 45 jaar is,
16, 45 jaar of ouder, doch jonger dan 50 jaar is,
15, 50 jaar of ouder, doch jonger dan 55 jaar is,
13, 55 jaar of ouder, doch jonger dan 60 jaar is,
11, 60 jaar of ouder, doch jonger dan 65 jaar is,
9, 65 jaar of ouder, doch jonger dan 70 jaar is,
8, 70 jaar of ouder, doch jonger dan 75 jaar is,
6, 75 jaar of ouder, doch jonger dan 80 jaar is,
4, 80 jaar of ouder, doch jonger dan 85 jaar is,
3, 85 jaar of ouder, doch jonger dan 90 jaar is,
2, 90 jaar of ouder, doch jonger dan 95 jaar is,
1, 95 jaar of ouder is.
2. De waarde van een ingegane periodieke uitkering in geld die van het leven van één mannelijke persoon afhankelijk is en die na een bepaalde tijd vervalt, wordt gesteld op het jaarlijkse bedrag, en vervolgens voor ieder vijftal jaren of, zo dat minder is, het aantal jaren gedurende welke de uitkering (nog) moet plaatshebben, vermenigvuldigd met vijf onderscheidenlijk het aantal jaren gedurende welke de uitkering (nog) moet plaatshebben, en vermenigvuldigd met de in de volgende tabel opgenomen factor:
Leeftijdsklasse van genoemde persoon met daaronder de factoren0–1920–2425–2930–3435–3940–4445–4950–5455–5960–6465–6970–7475–7980–8485–8990–9495–100 100–
het eerste vijftal jaren0,910,910,910,910,900,900,900,890,880,870,840,800,740,650,540,400,270,18
het tweede vijftal jaren0,740,740,740,740,740,730,720,700,670,620,540,450,330,200,080,02
het derde vijftal jaren0,610,610,610,600,590,580,560,530,480,400,300,200,100,03
het vierde vijftal jaren0,500,500,490,490,480,460,430,380,310,220,140,060,02
het vijfde vijftal jaren0,410,400,400,390,370,350,300,240,170,100,040,01
het zesde vijftal jaren0,330,330,320,300,280,250,200,140,080,030,01
het zevende vijftal jaren0,270,260,250,230,200,160,110,060,02
het achtste vijftal jaren0,210,200,190,160,130,090,050,02
het negende vijftal jaren0,170,150,130,110,070,040,01
het tiende vijftal jaren0,130,110,090,060,030,01
het elfde vijftal jaren0,090,070,050,030,01
het twaalfde vijftal jaren0,060,040,020,01
de volgende jaren0,030,020,01
De overeenkomstig de eerste volzin vastgestelde waarde wordt niet hoger gesteld dan de waarde die zou zijn verkregen als de uitkering levenslang zou zijn.
3. De waarde van een levenslange periodieke uitkering in geld die nog niet is ingegaan en die van het leven van één mannelijke persoon afhankelijk is, wordt vastgesteld overeenkomstig het tweede lid, waarbij voor het aantal jaren dat de periodieke uitkering nog niet is ingegaan, het jaarlijkse bedrag op nihil wordt gesteld en na het twaalfde vijftal jaren geen jaren meer in aanmerking worden genomen. De aldus vastgestelde waarde wordt niet hoger gesteld dan de waarde die zou zijn verkregen als de uitkering reeds ingegaan zou zijn.
4. De waarde van een periodieke uitkering in geld die nog niet is ingegaan, die van het leven van één mannelijke persoon afhankelijk is en die na een bepaalde tijd vervalt, wordt vastgesteld overeenkomstig het tweede lid, waarbij voor het aantal jaren dat de periodieke uitkering nog niet is ingegaan, het jaarlijkse bedrag op nihil wordt gesteld. De aldus vastgestelde waarde wordt niet hoger gesteld dan de waarde die zou zijn verkregen als de uitkering reeds ingegaan zou zijn.
5. De waarde van een periodieke uitkering in geld voor onbepaalde tijd, die niet van het leven afhankelijk is, wordt gesteld op het vierentwintigvoud van het jaarlijkse bedrag.
6. De waarde van een periodieke uitkering in geld die na een bepaalde tijd vervalt en die niet van het leven afhankelijk is, wordt gesteld op het jaarlijkse bedrag, vermenigvuldigd met het aantal jaren gedurende welke de uitkering moet plaatshebben, iedere vermenigvuldigingsuitkomst vermenigvuldigd met een van de volgende factoren:
factor
het eerste vijftal jaren 0,91
het tweede vijftal jaren 0,75
het derde vijftal jaren 0,61
het vierde vijftal jaren 0,50
het vijfde vijftal jaren 0,41
het zesde vijftal jaren 0,34
het zevende vijftal jaren 0,28
het achtste vijftal jaren 0,23
het negende vijftal jaren 0,19
het tiende vijftal jaren 0,16
het elfde vijftal jaren 0,13
het twaalfde vijftal jaren 0,11
de volgende jaren 0,09.
De overeenkomstig de eerste volzin vastgestelde waarde kan niet meer bedragen dan het vierentwintigvoud van het jaarlijkse bedrag.
7. Een periodieke uitkering in geld, afhankelijk van het leven van één vrouwelijke persoon, wordt gelijkgesteld met een periodieke uitkering, afhankelijk van het leven van een mannelijk persoon die vijf jaar jonger is dan vorenbedoeld vrouwelijk persoon.
8. Een periodieke uitkering in geld die vervalt bij het overlijden:
a.van de langstlevende van twee of meer personen, wordt gelijkgesteld met een periodieke uitkering, afhankelijk van het leven van een mannelijk persoon, die tien jaar jonger is dan de jongste van de vorenbedoelde personen;
b.van de eerststervende van twee of meer personen, wordt gelijkgesteld met een periodieke uitkering, afhankelijk van het leven van een mannelijk persoon, die vijf jaar ouder is dan de oudste van de vorenbedoelde personen.
9. Een periodieke uitkering in geld tot een onzeker jaarlijks bedrag wordt gelijkgesteld met een periodieke uitkering tot het geschatte gemiddelde jaarlijkse bedrag.
10. Een periodieke uitkering die recht geeft op andere goederen dan geld, wordt gelijkgesteld met een periodieke uitkering in geld tot een jaarlijks bedrag, gelijk aan de overeenkomstig afdeling 5.4 van de wet geschatte waarde van de goederen.
11. De waarde van een periodieke uitkering die niet valt onder een van de vorige leden, wordt gesteld op het bedrag, waarvoor een zodanige uitkering zou kunnen worden aangekocht.
Hoofdstuk 6 Persoonsgebonden aftrek (Hoofdstuk 6 van de wet)

Artikel 19a Aangewezen drukkende uitgaven
Bij de bepaling van de omvang van hetgeen op de belastingplichtige aan buitengewone uitgaven drukt blijven buiten beschouwing:
a.bijzondere bijstand in de zin van de artikelen 35, eerste en derde lid, van de Wet werk en bijstand en 10, tweede lid, van de Invoeringswet Wet werk en bijstand, die, ondanks een aanspraak op deze bijzondere bijstand, niet is genoten en niet wordt genoten;
b.tegemoetkomingen in de zin van het Tijdelijk besluit tegemoetkoming buitengewone uitgaven.

Artikel 20 Definities ernstig gehandicapt en zorgafhankelijk
1. Voor de toepassing van de artikelen 6.16 en 6.25 van de wet wordt iemand als ernstig gehandicapt beschouwd indien hij gelet op zijn beperkingen aanspraak maakt op opname in een bij of krachtens de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten geregelde intramurale inrichting.
2. Voor de toepassing van artikel 6.16 van de wet wordt iemand als zorgafhankelijk beschouwd indien hij, zo hij niet bij de belastingplichtige zou inwonen, zou zijn aangewezen op beroepsmatige hulp of verzorging in een verzorgingsinrichting of verpleeginrichting.

Artikel 20a Hulpmiddelen
Tot de andere hulpmiddelen, bedoeld in artikel 6.17, eerste lid, onderdeel a, van de wet worden gerekend:
aanpassingen van een woning, woonboot, woonwagen of aanhorigheid daarvan, die vanwege een functiebeperking op medisch voorschrift zijn aangebracht ten behoeve van een persoon als bedoeld in artikel 6.16, onderdelen a en g, van de wet, voorzover de aanpassingen niet leiden tot een waardevermeerdering van de woning, woonboot, woonwagen of aanhorigheid daarvan welke uitgaat boven tien procent van de op de belastingplichtige drukkende aanpassingskosten;
zaken en aanpassingen van zaken, niet zijnde een aanpassing van een woning, woonboot, woonwagen of aanhorigheid daarvan, ten behoeve van een persoon als bedoeld in artikel 6.16, onderdelen a en g, van de wet, voorzover deze zaken en aanpassingen van een zodanige aard zijn dat zij hoofdzakelijk door zieke of invalide personen worden gebruikt.
Hoofdstuk 7 Belastingheffing van buitenlandse belastingplichtigen (Hoofdstuk 7 van de wet)

Artikel 21 Belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang; verkrijgingsprijs aanmerkelijk belang
1. Indien op grond van artikel 26, tweede, vierde of vijfde lid, aanhef en onderdeel a, van de Invorderingswet 1990 aan een belastingplichtige kwijtschelding van belasting ter zake van belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang is verleend, wordt ten aanzien van hem de in artikel 7.6 van de wet bedoelde verkrijgingsprijs verminderd met vier maal het kwijtgescholden bedrag aan belasting.
2. Voor de toepassing van het eerste lid wordt met artikel 26, tweede en vierde lid, van de Invorderingswet 1990 gelijkgesteld artikel 26, tweede lid, van de Invorderingswet 1990 zoals dit artikel luidde tot 1 januari 2001.
Hoofdstuk 7A Wijze van heffing (Hoofdstuk 9 van de wet)

Artikel 21a Als voorheffing aangewezen bronbelasting
Als voorheffing worden aangewezen door Andorra, British Virgin Islands, Guernsey, Isle of Man, Jersey, Liechtenstein, Monaco, Nederlandse Antillen, San Marino, Turks and Caicos Islands en Zwitserland geheven bronbelasting over een uit die mogendheid als uiteindelijk gerechtigde als bedoeld in artikel 2 van de richtlijn nr. 2003/48/EG van de Raad van de Europese Unie van 3 juni 2003 betreffende belastingheffing op inkomsten uit spaargelden in de vorm van rentebetaling (PbEU L 157), genoten rentebetaling, mits de bronbelasting vergelijkbaar is met die in artikel 11 van die richtlijn en de rentebetaling valt onder de begripsomschrijving van artikel 6 van die richtlijn.
Hoofdstuk 8 Aanvullende regelingen (Hoofdstuk 10 van de wet)

Artikel 22 Overige aanvullende regelingen; verstrekken van gegevens en inlichtingen
1. Als administratieplichtigen als bedoeld in artikel 10.8, eerste lid, van de wet worden aangewezen:
a.kredietinstellingen als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel a, van de Wet toezicht kredietwezen 1992;
b.beleggingsinstellingen als bedoeld in artikel 1, onderdeel c, van de Wet toezicht beleggingsinstellingen;
c.effecteninstellingen als bedoeld in artikel 1, onderdeel d, van de Wet toezicht effectenverkeer 1995;
d.levensverzekeraars als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel g, van de Wet toezicht verzekeringsbedrijf 1993.
2. Als gegevens en inlichtingen als bedoeld in artikel 10.8, eerste lid, van de wet worden aangewezen:
a.over een rekening waarop een saldo in geld kan worden aangehouden:
1°.het saldo aan het einde van het kalenderjaar en
2°.de in dat kalenderjaar op de rekening genoten rente;
b.over een rekening waarop een saldo in effecten kan worden aangehouden:
1°.het saldo aan het einde van het kalenderjaar en
2°.de in dat kalenderjaar op de rekening genoten opbrengst, bedoeld in artikel 2 van de Wet op de dividendbelasting 1965, en de op die opbrengst ingehouden dividendbelasting;
c.over het verrichten van een contante uitbetaling ter zake van het verzilveren van coupons of vergelijkbare stukken van obligaties of vergelijkbare waardepapieren: het totaalbedrag dat in het kalenderjaar is uitbetaald;
d.over een kapitaalverzekering eigen woning als bedoeld in artikel 3.116, tweede lid, van de wet:
1°.het in het kalenderjaar genoten bedrag aan uitkering;
2°.indien de verzekering op grond van artikel 3.116, derde lid, onderdeel a, b, c, e, f of g, van de wet, in het kalenderjaar wordt geacht tot uitkering te zijn gekomen: de waarde in het economische verkeer van de verzekering op het tijdstip waarop de verzekering wordt geacht tot uitkering te zijn gekomen;
e.over een lijfrente als bedoeld in de artikelen 3.124 en 3.125 van de wet:
1°.de in het kalenderjaar betaalde of verrekende premies;
2°.indien in het kalenderjaar zich een omstandigheid voordoet als bedoeld in artikel 3.133, tweede lid, onderdeel a, b, d, e, f, g, h, i of j, in samenhang met artikel 3.133, derde lid, van de wet: de omstandigheid die zich heeft voorgedaan en de waarde in het economische verkeer van de aanspraak bepaald met toepassing van artikel 3.137 van de wet;
f.over een recht als bedoeld in artikel 5.10, onderdeel a, van de wet: de som van het verzekerde kapitaal per verzekerde aan het einde van het kalenderjaar;
g.over een recht op kapitaalsuitkering uit een op 14 september 1999 bestaande levensverzekering:
1°.het verzekerde kapitaal bij leven, dan wel, bij het ontbreken hiervan, de waarde in het economische verkeer van het recht, aan het einde van het kalenderjaar;
2°.een verhoging in het kalenderjaar van het verzekerde kapitaal bij leven, dan wel, bij het ontbreken hiervan, een verhoging in het kalenderjaar van de premies, alsmede een verlenging van de looptijd van de levensverzekering in het kalenderjaar, een en ander voorzover die verhoging of verlenging de eerbiedigende werking van hoofdstuk 2, artikel I, onderdeel AN, van de Invoeringswet Wet inkomstenbelasting 2001, verloren doet gaan;
h.over een recht op kapitaalsuitkering of prestatie uit levensverzekering voorzover niet in aanmerking genomen op grond van de onderdelen d tot en met g: de waarde in het economische verkeer van het recht aan het einde van het kalenderjaar.
3. Onder rente als bedoeld in het tweede lid, onderdeel a, onder 2°, wordt verstaan: hetgeen tussen de geldgever en de geldnemer is overeengekomen als vergoeding voor het gedurende de looptijd van de geldlening ter beschikking stellen van de hoofdsom.
4. Het saldo, bedoeld in het tweede lid, onderdeel b, onder 1°, is de waarde van de effecten op de einddatum, bepaald volgens artikel 5.19 of artikel 5.21 van de wet, dan wel, indien deze artikelen geen toepassing kunnen vinden, de grondslag voor het over het kalenderjaar bedongen bewaarloon voor de in bewaring gegeven effecten of bij het ontbreken hiervan de uitgifteprijs van de effecten.
5. De gegevens en inlichtingen, bedoeld in het tweede lid, onderdelen a en b, worden verstrekt per rekening en over zowel de saldi als de rente of de opbrengst onderverdeeld naar:
a.spaartegoeden, aandelenoptierechten, aandelen of winstbewijzen als bedoeld in artikel 5.11 van de wet;
b.maatschappelijke beleggingen als bedoeld in artikel 5.13 van de wet;
c.beleggingen in durfkapitaal als bedoeld in artikel 5.16 van de wet;
d.saldi, rente of opbrengst voorzover niet in aanmerking genomen op grond van de onderdelen a tot en met c.
6. De in het eerste lid aangewezen administratieplichtige kan de verstrekking van gegevens en inlichtingen, bedoeld in het tweede lid, onderdelen a, b of g, onder 1°, achterwege laten indien:
a.het saldo, bedoeld in het tweede lid, onderdeel a, onder 1°, of onderdeel b, onder 1°, lager is dan €500, en het bedrag van de rente, bedoeld in het tweede lid, onderdeel a, onder 2°, of van de opbrengst, bedoeld in het tweede lid, onderdeel b, onder 2°, lager is dan €11;
b.het verzekerde kapitaal bij leven of de waarde in het economische verkeer van het recht, bedoeld in het tweede lid, onderdeel g, onder 1°, lager is dan €46 984.

Artikel 23 Overige aanvullende regelingen; rechtspersonen met natuurschoonwet-landgoederen
1. De werkzaamheden, rechten en verplichtingen van een naamloze vennootschap of besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid welker bezittingen uitsluitend of hoofdzakelijk bestaan uit op de voet van artikel 2 van de Natuurschoonwet 1928 als landgoed aangemerkte onroerende zaken, worden voor de heffing van de inkomstenbelasting beschouwd als werkzaamheden, rechten en verplichtingen van haar gezamenlijke aandeelhouders, indien:
a.de werkzaamheden van de vennootschap uitsluitend of hoofdzakelijk bestaan uit de instandhouding van onroerende zaken die zijn aangemerkt als landgoederen in de zin van artikel 1 van de Natuurschoonwet 1928;
b.alle aandeelhouders natuurlijke personen zijn;
c.het aantal aandeelhouders niet meer dan twintig bedraagt.
2. Ingeval niet langer aan de voorwaarden, genoemd in het eerste lid, wordt voldaan, blijft dat lid buiten toepassing met ingang van het kalenderjaar waarin de vervulling van die voorwaarden een einde heeft genomen.
3. Voor de toepassing van het eerste lid worden rechtspersonen die zich uitsluitend of hoofdzakelijk het behoud van natuurschoon ten doel stellen, met natuurlijke personen gelijkgesteld.
4. De voorwaarde, genoemd in het eerste lid, onderdeel c, is niet van toepassing, voorzover de toeneming van het aantal aandeelhouders boven twintig is toe te schrijven aan vererving of schenking of aan ontbinding van een huwelijksgemeenschap.
Hoofdstuk 9 Overgangs- en slotbepalingen (Hoofdstuk 11 van de wet)

Artikel 24
Artikel 12, vierde lid, is van overeenkomstige toepassing op een overdracht in het kalenderjaar 2001 waarop hoofdstuk 2, artikel I, onderdeel Db, van de Invoeringswet Wet inkomstenbelasting 2001 van toepassing is mits zowel door de ondernemer als degene die de onderneming voortzet, bij de aangifte van de ondernemer is verzocht om toepassing van dat onderdeel.

Artikel 25
Vervallen

Artikel 25a
Vervallen

Artikel 26 Inwerkingtreding
Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 januari 2001.

Artikel 27 Citeertitel
Dit besluit wordt aangehaald als: Uitvoeringsbesluit inkomstenbelasting 2001.

Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.

's-Gravenhage
20 december 2000
Beatrix
De Staatssecretaris van Financiën,
W. J. Bos
achtentwintigste december 2000
De Minister van Justitie,
A. H. Korthals