Home
Fiscanet
CAOnet
Nieuws
FiscaNet
CAOnet
Wetten
Inkomstenbelasting
Loonbelasting
Omzetbelasting
Vennootschapsbelasting
Successiewet
Rechtsverkeer
Personenauto's en motorrijtuigen
Douane
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet
Invordering
Internationaal belastingrecht
Lagere overheden
Kansspelbelasting
Milieuheffingen
Sociale verzekeringen
Pensioen
Diversen
CAO
Arbeidsrecht
Tarieven
Eerst inloggen
Modellen
Eerst inloggen s.v.p.
Handboeken
Eerst inloggen
Zoek
Eerst inloggen s.v.p.
Contact
Adresgegevens
Algemene voorwaarden
Wachtwoord opvragen
Uw reactie/vragen
Uitloggen
Gebruikersnaam :
Wachtwoord :
Bewaren ??
Wachtwoord vergeten ?
FiscaNet
Binnenkant 18
1011 BG Amsterdam
020-6272175
info@fiscanet.nl
Gerechtshof Amsterdam :
>>
IB / advocaat voldoet niet aan urencriterium voor zelfstandigenaftrek / omkering en verzwaring van de bewijslast / bedrag aan verschuldigde successierechten is geen box-3-schuld
Een man heeft een advocatenpraktijk die nagenoeg geheel is gericht op de markt van de gefinancierde rechtshulp. Hij heeft geen werknemers in dienst.
Hoewel de advocaat is gemaand om tijdig aangifte voor het jaar 2005 te doen, heeft hij geen elektronische aangifte gedaan maar slechts per fax een inkomensopstelling aan de belastingdienst gezonden. De inspecteur heeft na een boekenonderzoek een aantal correcties aangebracht op de verstrekte inkomensgegevens.
Het Hof bevestigt het oordeel van de Rechtbank dat het enkele toezenden van de inkomensopstelling niet kan worden aangemerkt als het doen van de vereiste aangifte. Het is voorts niet aannemelijk geworden dat bij de advocaat sprake zou kunnen zijn van gewekt vertrouwen dat zijn opstelling niettemin als de vereiste aangifte zou gelden. Als gevolg hiervan vindt omkering en verzwaring van de bewijslast plaats.
Het Hof verwerpt het standpunt van de advocaat dat hij als advocaat en alleenstaand ondernemer zonder andere werkzaamheden, gezien de aard van het beroep en de omstandigheid dat hij in zijn levensonderhoud kan voorzien, per definitie aan het urencriterium voldoet. Het gaat tevens om het feitelijk bestede aantal uren, dat minimaal 1225 dient te belopen. Ook in hoger beroep voldoet de advocaat echter niet aan zijn verzwaarde bewijslast om overtuigend aan te tonen dat hij ten minste 1225 uren heeft besteed aan het feitelijk drijven van zijn praktijk. Dat de zelfstandigenaftrek in eerdere jaren wel is verleend, leidt niet tot in rechte te beschermen vertrouwen.
Het Hof beslist ten slotte dat de inspecteur een bedrag met betrekking tot verschuldigde successierechten (in verband met een geërfde woning) terecht niet als schuld in box 3 in aanmerking heeft genomen.
Het beroep van de advocaat wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de Rechtbank wordt bevestigd.
Commentaar Fiscanet :
Verplichtingen die voortvloeien uit de AWR, uit een belastingwet waarop de AWR van toepassing is of uit de Invorderingswet 1990 worden niet in aanmerking genomen als schuld in box 3. Met ingang van 2010 wordt in artikel 5.3, derde lid Wet IB 2001 een uitzondering gemaakt voor belastingschulden uit hoofde van de erfbelasting dan wel een vergelijkbare buitenlandse belasting. Zie in dit verband de nieuwe onderdelen c en d van het derde lid. Het Hof merkt op dat deze wijziging per 2010 geen consequenties heeft voor het onderhavige belastingjaar. Redactie. © Fiscanet
Overig actueel fiscaal nieuws:
Ministerie van Financien :
>>
IB / LB / deblokkering spaarloon / overzicht meest gestelde vragen en antwoorden.
Ministerie van Financien :
>>
LB / uitkomsten internetconsultatie werkkostenregeling
Hof Amsterdam :
>>
IB / Procesrecht / geen aftrek voor kosten van levensonderhoud van een in Marokko wonend tweejarig kind als geen kinderbijslag is aangevraagd / geen toepassing van het gelijkheidsbeginsel
Hof Amsterdam :
>>
OB / als een dga ten onrechte als ondernemer is aangemerkt en in een fiscale eenheid is opgenomen kan bij het vervallen van de eenheid de ten onrechte genoten aftrek van voordruk niet worden nageheven en houdt het vervallen van de eenheid ook geen levering in
Gerechtshof Amsterdam :
>>
SW / toekenning van niet direct opeisbare renteloze geldlening leidt tot bevoordeling die in casu door toepassing van vrijstelling niet tot belastingheffing leidt